"You should be an author"

Recensie autobiografie 25-09-2016

"You should be an author, you should write books", zei Adele Springsteen ooit tegen haar zoon Bruce toen ze hem carièrreadvies gaf. Bruce koos echter voor gitaar en microfoon in plaats van pen en papier. Geen slecht besluit. Maar met een loopbaan van inmiddels vijftig jaar in de wereld van de rockmuziek op de teller (die nog steeds doortikt) verschijnt nu toch het eerste echte non-fictieboek van zijn hand, Born to Run: het verhaal over zijn eigen leven (het boek Songs dat in 1998 verscheen, bevatte voornamelijk zijn songteksten en zijn uitleg bij de albums).

Door Jos Westenberg

Bruce besloot in 2009 om zijn levensverhaal op te schrijven, nadat hij op zijn website de 'Superbowl Journal' gepubliceerd had, zijn relaas over het optreden met de E Street Band bij de Superbowl-finale in Tampa, Florida. Hij wist nog niet of hij zijn eigen levensverhaal wilde publiceren of dat hij het alleen aan zijn kinderen wilde nalaten, maar hij vond dat hij met de Superbowl Journal wel de juiste stijl had gevonden om zijn verhaal te vertellen. De Superbowl Journal is overigens integraal als een hoofdstuk in het boek terug te vinden. Zeven jaar deed Bruce over zijn hele autobiografie, waarbij hij in periodes schreef, om alles op papier te krijgen.

De schrijfstijl van Bruce is mooi en direct waarmee hij de aandacht van de lezer vasthoudt en waardoor je het boek, ruim 500 pagina's dik, snel uit hebt. Toegegeven, de meeste lezers zullen ook fans zijn met een diepgaande interesse in het onderwerp. Bruce richt zich met het verhaal dan ook eigenlijk vooral tot zijn fans, dat is te merken wanneer hij de lezer direct aanspreekt. Maar op sommige plekken lijkt hij ook advies te willen geven aan jonge muzikale talenten.

Andere biografiën
Springsteens levensverhaal is natuurlijk in grote lijnen wel bekend. Veel fans lazen (een of enkele van) de biografieën van Dave Marsh, Eric Alterman, Christopher Sandford, Marc Eliot of Peter Ames Carlin, die in de loop der tijd over Bruce verschenen zijn. Ook al was dat soms met medewerking van Springsteen zelf, zoals in de gevallen van Dave Marsh (die van Bruce haast een superheld maakte) of, meest recent, Peter Ames Carlin, die Bruce in 2012 interviewde en juist zijn best deed om de superster Springsteen terug te brengen naar menselijke proporties. Maar Springsteens eigen kijk op de gebeurtenissen levert toch weer veel nieuwe details en grappige anekdotes op en natuurlijk meer introspectie.

Bruce heeft zijn relaas geschreven zonder al te veel opsmuk of afleidende verhaallijnen. De vele gebeurtenissen die al bij fans bekend zijn, diept hij soms wat verder uit en hij geeft zijn eigen verklaring over het hoe en waarom. Een goed voorbeeld is Springsteens haast hysterische reactie op de posters die bij het Hammersmith-optreden in Londen in 1975 hingen. Nu je de uitleg van Bruce leest, is zijn gedrag wel te begrijpen.
En ondanks dat er zo veel biografieën in de kast staan, onthult Springsteens eigen verhaal veel nieuwe feiten. Aandoenlijk zijn de hoofdstukken over zijn jeugd in Freehold, waar hij omringd was door veel familieleden. Vermakelijk zijn de beschrijvingen van de trip van Steel Mill naar de Westkust en de optredens van de band die, niet ongewoon in die tijd, nogal eens ontaardden in opstootjes die door de politie moesten worden gesust. Ontroerend is hoe Bruce schrijft over zijn overleden vrienden, Danny Federici, Clarence Clemons en Terry Magovern (van alledrie heeft Bruce ook op zijn website eerder In Memoriams gepubliceerd, waar hij in dit boek passages van hergebruikt). En Bruce vertelt uitgebreid over de episodes waarin hij tegen zijn terugkerende depressies strijdt, het onderwerp dat de meeste persaandacht heeft gekregen in de aanloop van de boekuitgave.

This depression
Springsteens depressiviteit, een erfenis van de Ierse familie van zijn vader, is geen nieuw feit. Begin jaren negentig was Bruce hier al open over. Bij zijn legendarische optredens voor de Christic Institute vertelde hij het publiek al dat hij een psychotherapeut bezocht, omdat hij onverklaarbaar gedrag vertoonde (hij reed 's nachts vaak terug naar Freehold om daar vanuit zijn auto de oude woningen te bekijken waar hij als kind gewoond heeft; Bruce beschrijft dit gedrag nu ook weer in zijn autobiografie). En in 1992 vertelde Bruce in een interview met Rolling Stone over zijn psychotherapie in de jaren tachtig en later, begin jaren negentig. In een interview met David Remnick in The New Yorker in 2012 en in het boek Bruce van Ames Carlin wordt Springsteens psychotherapie ook vermeld.
Ook in Born to Run gaat Bruce dit persoonlijke onderwerp niet uit de weg, integendeel. Hij beschrijft dat hij in de jaren zeventig al last had van angststoornissen. De eerste keer dat hij in het boek uitgebreid ingaat op een paniekaanval, is na de release van Nebraska, wanneer hij met een vriend een trip maakt door het zuidwesten van Amerika. Hij dringt er bij zijn reisgenoot op aan om terug te keren naar een plaatsje waar ze eerder doorheen reden, op zoek naar iets ondefinieerbaars dat niet te vinden blijkt. In zijn huis in Los Angeles stort Bruce in en niet veel later bezoekt hij op aanraden van Jon Landau voor het eerst een psycholoog. Bruce is sinds die tijd in therapie bij dezelfde psycholoog geweest, totdat die in 2008 overleed. Daarna vond Bruce een psycholoog in New York die hem verder kon helpen.

De episodes die Bruce beschrijft, zijn soms vreemd en/of beangstigend destructief. Hij vertelt dat hij een romantisch diner had met zijn eerste vrouw Julianne Phillips, een actrice, en dat hij de wantrouwige gedachte had dat zij bij hem wilde zijn om haar carièrre via zijn naamsbekendheid in een stroomversnelling te brengen. En na de High Hopes-tour voelde Bruce zich zo ongelukkig dat hij het liefst uit het leven wilde stappen. Bruce zoekt dan de spanning en ontspanning op in motortochten of autoritten en hanteert daarbij soms een erg hoge snelheid. Patti is degene die Bruce probeerde terug te brengen naar de medicatie die zijn angsten en somberheid onder controle moet houden. Maar, zo stelt Bruce, "aan een psychologische oorlog komt nooit een einde".

Relaties
Ondanks de ruim 500 pagina's valt op dat enkele gebeurtenissen in Springsteens leven onbesproken blijven. Relaties met vrouwen worden maar kort benoemd, en alleen Julianne Phillips en Patti Scialfa worden bij naam genoemd. Als er al iets misging tussen hem en de vrouwen, dan neemt Bruce daar nu de schuld van op zich. Het incident met Lynn Goldsmith bij de No Nukes-concerten in 1979, waar Bruce zijn toenmalige ex en fotografe vanuit de zaal het podium op sleurde en vervolgens via de backstage-ingang weer naar buiten werkte, noemt hij niet. Suki Lahav, korte periode violiste bij de E Street Band in 1974/'75 en vrouw van zijn toenmalige studiotechnicus Louis Lahav, wordt niet genoemd (en het blijft dus onduidelijk of Bruce een affaire met haar heeft gehad zoals weleens is beweerd).

Bruce neemt op bepaalde plaatsen de ruimte om zijn relatie met E Street Bandleden te beschrijven. Hij stipt aan dat sommige bandleden minder blij waren met besluiten die hij nam. Treffend is dat Bruce stelt dat hij aan het einde van Born in the USA-tour al wist dat het (voorlopig) einde aan de samenwerking met de band eraan zat te komen. Hij schrijft ook nadrukkelijk dat Tunnel of Love een soloalbum was. Door Peter Ames Carlins boek Bruce uit 2012 kwam aan het licht dat verschillende E Street Bandleden zich in deze periode erg gekwetst voelden, omdat ze door Bruce gevraagd werden om wat dingen voor dit album in te spelen, maar dat die opnames alleen gebruikt zouden worden als ze beter waren dan de al eerder opgenomen stukken van sessiemuzikanten. Ze noemden deze werkwijze dan ook "beat the demo". Bruce gaat zelf niet in op dit ongenoegen dat bij de bandleden heerste. Hij noemt weliswaar dat sommige E Street Bandleden bij de reünie niet tevreden waren over de financiële vergoeding die hen te wachten stond bij de tour (door het boek van Carlin weten we dat dit Danny Federici en Garry Tallent waren), maar lijkt onverschillig voor hun gevoelens hierover (hij vindt dat de bandleden soms wat te veel van hem verwachten op allerlei gebied).

Ook over het juridisch conflict met twee oud-roadies (Mike Batlan en Doug Sutphin) in 1989, die hem als baas aanklaagden, is Bruce heel kort. Hij spreekt eigenlijk alleen zijn teleurstelling over de gang van zaken uit. Het is jammer dat Springsteen juist als het gaat om dit onderwerp (doet het afbreuk aan zijn imago van working class hero?) niet zijn visie op de zaak toelicht. Bruce vermeldt ook nergens dat hij bij zijn eerste trip met Steel Mill aan de Westkust, volgens de biografie van Peter Ames Carlin, (onbedoeld) spacecake gegeten zou hebben. Bruce houdt in zijn verhaal vast aan de bewering dat hij nooit drugs heeft genomen. Ook vermeldt Bruce niet dat hij in de jaren zeventig enkele E Street Bandleden aansprak op hun drugsgebruik en hen duidelijk maakte dit niet te tolereren. Blijkbaar wil hij niet te veel overkomen als de strenge baas of leermeester.

Ongeloofwaardige details
Af en toe komen er wat ongeloofwaardige details voorbij, zoals de melding dat bij het Born in the USA-concert in Milaan schermen buiten het stadion werden opgehangen om de meute die niet binnen kon, ook mee te laten genieten (en volgens Bruce kwamen er uiteindelijk zelfs nog veel mensen zonder kaartje het stadion binnen, waarvoor volgens de promoter speciaal plekken op de tribunes open waren gelaten). Verder schept Bruce een genuanceerd beeld over veel mensen; hij benoemt niet alleen de positieve aspecten van personen, maar geeft ook minder positieve of zelfs negatieve aspecten over deze personen weer. Over slechts een paar mensen is Bruce louter positief in het boek: zijn moeder (hoewel hij het als kind wel moeilijk vond dat zij soms eerder voor het belang van zijn vader koos), Patti en de kinderen.


Een gezinskiekje dat Patti onlangs op haar Instagram publiceerde (alleen oudste zoon Evan ontbreekt).

Bruce kan uiteraard ook niet al te uitgebreid op alle gebeurtenissen in zijn leven ingaan, het boek telt al ruim 500 pagina's. Dat is niet voldoende om tot een "tell all"-autobiografie te komen, maar dat was hij ook niet van plan. Aan het einde concludeert hij:
"Schrijven over jezelf is maar een raar gedoe. Uiteindelijk is het ook maar een verhaal, een verhaal dat jij hebt samengesteld uit de gebeurtenissen die zich in je leven hebben voorgedaan. Ik heb je niet ‘alles’ over mezelf verteld. Discretie en de gevoelens van anderen staan dat niet toe. Maar in een project als dit moet de schrijver één ding geloven: dat hij de lezer zijn geest toont. Dat heb ik op deze bladzijden geprobeerd. (...)
Ik heb mijn hele leven gevochten, gestudeerd, gespeeld en gewerkt, omdat ik het hele verhaal wilde horen en kennen, mijn verhaal, ons verhaal, en er zoveel van begrijpen als ik maar kon. Ik wilde het begrijpen om mezelf te bevrijden van zijn slechtste invloed, zijn kwaadwillende kracht, om zijn schoonheid, zijn kracht te vieren en te eren, en om het mijn vrienden, mijn familie en jou te kunnen vertellen. Ik heb dit gedaan als een dienst. Ik heb dit naar voren gebracht als een lang en luidruchtig gebed, mijn tovertruc. In de hoop dat het je in je ziel zal raken en dan verder zal gaan, de geest overgeleverd, om gelezen, gehoord, gezongen en veranderd te worden door jou en jouw nakomelingen, dat het jouw verhaal begrijpelijk zal maken en versterken. Vertel het door."

De wens van Springsteens moeder is uitgekomen, haar zoon is nu ook een boekenschrijver geworden.




OVER BE TRUE
E-MAILNIEUWSBRIEF