Museumcurator Jim Henke interviewt Springsteen

Van woonkamergitarist tot Hall of Fame-inductee

Museumcurator Jim Henke interviewt Springsteen 28-12-2009

Jim Henke, curator Rock & Roll Hall of Fame Museum.

Jim Henke, curator van het Rock and Roll Hall of Fame Museum, interviewde Springsteen in maart 2009 in diens huis in Rumson. Toen Henke arriveerde zat Springsteen in een kleine studioruimte naast de keuken wat op zijn gitaar te strummen. Geluidstechnicus Toby Scott zat achter het mengpaneel. Scott heeft een grote rol gespeeld in de totstandkoming van de tentoonstelling. Hij was Henke’s eerste aanspreekpunt in het Springsteen-team.

Door Muriël Kleisterlee

Nadat ze met de opname klaar waren (Henke geeft niet aan om welk nummer het ging), nam Springsteen de museumcurator mee naar zijn huiskamer om het interview te doen. Ze werden daarbij steeds afgeleid door Springsteens grote kat. Hoewel Henke als honden- en kattenbezitter geen problemen had met het beest, bleef Bruce de kat steeds wegsturen. Maar hij bleef terugkomen. Ook als Bruce de deur achter hem dicht deed, wist de kat die toch open te krijgen. "We hebben een fat cat-probleem hier", zei Springsteen op een gegeven moment in Henke's interviewmicrofoon.

 

Bruce over zijn eerste bandjes (rond 1965) 
"Het plakboek van The Castiles was van Marion Vinyard. Het was dus niet mijn moeder die dat bijhield, maar de vrouw van Tex Vinyard, een fabrieksmedewerker en manager van The Castiles. We repeteerden in zijn shot gun-style huis, tegenover Giazzo Music, waar we veel voor de etalage stonden, en ongeveer 25 meter van de tapijtfabriek, waar mijn vader een veel andere inwoners werkten. Dat deel van de stad heette Texas.
"Ik was 14 en ik was uit mijn eerste band gegooid, The Rogues, omdat ze mijn gitaar te goedkoop vonden. Hij was inderdaad goedkoop, maar echt niet zo slecht. Maar ik werd letterlijk uit die band gegooid en ik was behoorlijk nijdig. Toen ik thuis was zette ik 'It's All Over Now' op van de Rolling Stones. Ik dwong mezelf om de lead-partij te leren. Ik was uren bezig om die basale lead te leren. Dat was het begin van mijn lead gitaar-carrière.
"Een paar maanden later klopte George Theiss, die met mijn zus Virginia uitging, aan de deur. Hij zei dat hij een band had en op zoek was naar iemand die lead gitaar kon spelen. Hij vroeg of ik dat kon. Ik zei dat ik dat kon, hoewel dat nauwelijks het geval was. Hij nam me mee naar het huis van Tex waar ik de andere bandleden van The Castiles ontmoette. Ze hadden een basgitarist, die wij als een oudere gast beschouwden destijds – maar hij was waarschijnlijk eind twintig – en hij leerde me de basis van gitaarspelen. Dat was het begin van mijn carrière als gitarist en The Castiles. Voor een tienerbandje gingen we lang mee, van 1965 tot 1967. We speelden in Greenwich Village en Cafe Wha. Voor een eerste band deden we het lang niet slecht."

 


De zeep waarnaar Springsteens band The Castiles is vernoem

Over studio-opnames met The Castiles
"Het was een kleine woonkamer, misschien half zo groot als deze kamer die ook niet zo groot is. De gitaarversterkers konden geen enkel geluid van de microfoons aan. We moesten alle gitaarversterkers richting de muur zetten en ze ook nog bedekken met hoezen. De gitaren klonken heel doods, omdat het volume op 1 stond. We konden er geen distortion of speakergeluid uit krijgen. De studio's konden geen overdrive aan, ze waren gewoon niet in staat om in 1965 in New Jersey rockbands op te nemen. Het was heel belangrijk voor ons. We hadden gespaard. Het kostte 300 of 100 dollar, een enorm bedrag voor ons. We deden een sessie waarin we twee nummers opnamen. Ze gaven je in die tijd een TU-track, die ik pas teruggevonden heb, en de Acetates, de 45-toerenplaat. Sommige daarvan hebben het ook overleefd."


De Upstage in Asbury Park
De Upstage was een populaire club in Asbury Park, waar veel muzikanten kwamen. Ook Bruce kwam er vaak, onder andere met zijn band Child. Het muziekcafé was tot 5 uur 's ochtends open en de muzikanten kwamen er vaak jammen nadat ze in andere clubs al optredens hadden gedaan. Een van de grappige items van de tentoonstelling is een poster waarop de huisregels van de Upstage staan. Er is onder meer op te lezen: 'If you can't love thy Nabor, you must respect him or get out.' En: 'Girls wearing hot pants will sit by fire extinguishers.'


Het pand waar vroeger op de bovenverdieping de Upstage gevestigd was.

 

Bruce zegt tegen Henke over de Upstage: "De Upstage Club was eigenlijk een beetje voor freaks, op Cookman Avenue in Asbury Park, er werd geen drank geserveerd. Hij was open van acht uur 's avonds tot vijf uur 's ochtends. Ze stonden gewoon toe dat tieners tot vijf uur 's ochtends op mochten blijven. Ik weet niet hoe ze het voor elkaar kregen, of ze misschien de politie hadden omgekocht. Het was gesloten tussen 12 en 1. Dan gooiden ze iedereen eruit voor een uur en daarna lieten ze iedereen weer naarbinnen. Het belang van de club was dat ie zo laat open was, het was een hippe tent. De eigenaar was een soort oude bohemian-stijl Tom Potter, zijn vrouw speelde gitaar. Als bands 's zomers naar de kust kwamen om te spelen - er kwamen bands uit Long Island, Pennsylvania, uit allerlei plaatsen - gingen ze na hun optredens naar de Upstage. Iedere muzikant uit de omgeving kwam er en het ging er natuurlijk om om daar te spelen. Iedereen wachtte zijn beurt af, iedereen wachtte tot de gun slingers kwamen. Op een avond kwam ik uit Freehold en op dat moment had ik al heel wat speelervaring. Ik ging het podium op die avond, maar er waren geen versterkers. De versterkers waren in de muren gemetseld. Dus stel je voor: je staat voor een grote muur en achter je hangen allemaal speakers. En voor je staat een klein apparaatje waarin je je gitaar plugt. Er kwam een enorm geluid uit. Het was een vrij creatief idee, ik heb het nooit meer daarna ergens gezien en ik denk niet dat ik het nog ergens zal zien. Niemand hoefde apparatuur mee te nemen. Dat was het idee. Het enige wat je meenam, was je gitaar. Je plugde in en je zocht in een half uurtje een groep muzikanten uit tussen de mensen die aanwezig waren. Je speelde en liet zien wat je kon aan wie er ook kwam kijken. Ik ontmoette de meeste leden van de E Street Band daar en Southside Johnny. Het was een heel centrale plek."

 

John Hammond, de man bij Columbia Records aan wie Springsteen zijn platen-contract te danken heeft. 

Over zijn auditie voor Columbia Records met John Hammond
"De laatste van de opnamesessies oude stijl. De mensen die er werkten, hadden allemaal pakken aan. Ik pakte het staartje mee van de jaren vijftig en zestig-stijl platenbusiness. John was er, en hij had altijd een pak aan. En de technici en alle anderen ook. In mijn herinnering was iedereen gekleed alsof hij een kantoorbaan had. Het was waarschijnlijk de laatste opnamesessie in de stijl van de jaren zestig. Je kwam binnen en er stond een microfoon. Daar ging je voor staan, je speelde je nummers en je speelde piano. En ik luisterde wat John erover had te zeggen, wat in het algemeen aanmoedigingen waren. Het gebeurde allemaal op één avond en dat was het dan."

 

De Fender Esquire
Kort nadat hij in 1972 een platencontract had afgesloten met Columbia Records, kocht Bruce een Fender Esquire. De gitaar is wereldberoemd door de foto op de hoes van Born to Run en bestaat uit een Fender Telecaster-romp en een Fender Esquire-hals. Springsteen gebruikt de gitaar alleen nog voor speciale gelegenheden. Laatste publieke optreden was dat van de Superbowl. De gitaar reist dan mee in de persoonlijke handbagage van Springsteen. Het was Bruce die vond dat de gitaar moest worden opgenomen in de tentoonstelling. Gitaarroadie Kevin Buell moest de gitaar gaan brengen en wilde hem alleen overhandigen aan curator Henke. "Ik geef 'm niet af aan iemand die ik niet ken." Springsteen vertelt over de Esquire in het interview met Henke:

"De Esquire kocht ik voor 180 of 185 dollar. Het was mijn officiële 'je hebt een platencontract getekend, dus je haalt een gitaar'-moment. Daarvoor is er nooit een moment geweest dat ik 185 dollar had. Mijn eerdere goede gitaren - waaronder een Les Paul - kocht ik op afkoop, Tex moest ook tekenen, en ik betaalde 'm af per week of per maand. Dat duurde dan jaren, het enige wat ik deed waren die gitaren afbetalen.

 

Bruce met de Fender Esquire die hij in 1972 in Belmar (NJ) kocht voor 185 dollar van het geld van zijn eerste platencontract.  

"Voor de Esquire - Mike Appel was geloof ik ook meegegaan - gingen we als ik het me goed herinner naar Phil Petillo's Guitar Shop in Belmar, New Jersey, op snelweg 34 als ik het goed heb. Ik ging naar binnen en wilde een Telecaster hebben, want daar had ik al eerder op gespeeld. Toen ik jonger was had ik er ergens eentje op de kop getikt. Jeff Beck was een van mijn grote gitaarhelden en Pete Townsend speelde er ook op in The Who. Het was een goede gitaar om soul à la Steve Cropper en James Burton op te spelen, maar ook om rockmuziek als die van Jeff Beck op te spelen.

"Het was een veelzijdig en licht instrument. Ik speelde geen harde rockmuziek meer, maar iets wat meer leek op soulmuziek, dus ik wilde een gitaar die funk en dat gevoel aankon. En die gitaar hing daar gewoon. Ik vroeg er niks over, ik kocht 'm gewoon. Pas later kwam ik erachter dat er nog anderen voor mij op hadden gespeeld. Het is een bastard, het is niet één geheel. De hals is van een Esquire en de body een Telecaster. Een van de gasten die 'm eerder hadden gehad was Billy Ryan, een zeer goede lokale gitarist, speelde een tijdje met James Cotton. En nog iemand, ze rotzooiden er wat mee en zo werd ie hoe hij was. Het had een zwaar en onderscheidend geluid.
"Hij is nog steeds uniek in mijn gitarencollectie door hoe hij klinkt. Ik heb er mee op de Superbowl gespeeld. Af en toe treed ik er nog wel eens mee op, maar niet meer zo vaak, want ik heb nu een andere set-up. Als ik hem omdoe, voelt het voor mij niet alsof ik een gitaar omheb. Het is zo'n integraal onderdeel van me. Het is het enige instrument dat ik niet voel als ik het omheb. Het is een verlengstuk van mijn lichaam. Bij alle andere doe ik een gitaar om. Maar deze gitaar is een verlengstuk van wat ik ben. Het was de ontvanger van al mijn hoop en dromen. Een symbool van mijn ambities en wensen. Ik heb 'm duizenden en duizenden avonden omhoog gehouden voor mijn publiek. Ik denk omdat het iets zegt over de kracht van rock 'n' roll en de kracht van ons."

De studio-opnames voor Born to Run
In de tentoonstelling zijn veel van Springsteens aantekeningen voor songteksten en albumtitels voor zijn derde album Born to Run te vinden. Volgens die aantekeningen had het album ook Between Flesh And Fantasy, A Love So Fine, of Beyond the Palace kunnen heten. Op een vroege tracklist stonden titels als 'Lonely Night at the Beach', 'Shootout in Chinatown', 'Born to Win' and 'Thunderhill'. Het is het album waarmee Springsteen erg en lang geworsteld heeft in de studio. Hij had iets in zijn hoofd wat er niet uit kwam. Pas bij het verschijnen van de 30th Anniversary kon hij het briljante van het album ontdekken.
"Ik weet niet of ik ook maar met iets tevreden zou zijn geweest. Ik was in het algemeen niet zo tevreden. Het geluid dat ik in mijn hoofd had zitten, was niet iets wat fysiek te reproduceren was geweest. Daar was ik me toen natuurlijk niet van bewust. Ik wist niet hoe je een album moest maken. We hadden wel wat mensen om ons heen die er iets van wisten. De plaat was niet gemaakt als Jon Landau niet was komen binnenstappen op een gegeven moment, want we zaten helemaal vast. Ik heb er heel lang aan gewerkt en ik kon er niet meer naar luisteren toen het af was. Dat is me ook met andere albums gebeurd. Nu niet meer, omdat we veel sneller werken. Maar in die tijd ging het erg langzaam omdat ik hyperbewust was, een erg zelfbewuste jonge jongen. Ik was nog niet gewend aan het geluid van mijn eigen stem, dus mijn stem stoorde me. Ik was nog niet in staat om de studio zo te gebruiken dat ik er het beste uithaalde wat ik kon. Het verbazingwekkende is toch dat we Born to Run uiteindelijk gewoon hebben gemaakt. Dat waren onze eerste schreden op het studiopad van New York. [Lachend] En het klinkt nog vrij goed vandaag de dag. Bij de uitgave van de 30th Anniversary kon ik het opnieuw beleven, maar nu op die manier waarop ik het eigenlijk toen al had moeten doen, toen ik 24 of 25 was. Ik dacht: wauw, dit was best wel goed."

 

 

Een van de tentoongestelde schriften van Bruce, waar hij de veelal vele versies van zijn nummers in opschreef. 

Over zijn songwriting

"Dat gaat heel relaxed. Ik krijg een idee en pak mijn gitaar erbij. Het is een meditatieve staat. Songwriting is in wezen een meditatie. Het is de uitoefening van je vakmanschap, je intelligentie. Maar het is vooral meditatief. Het werkt het best als je in een soort lichte trance raakt. Je schraapt met een mesje het topje van je onderbewuste af. Het schaafsel verandert soms in een nummer. En soms snijdt het mes dieper. Het is net alsof je een vormeloze klomp klei voor je hebt liggen die je met je vingers gaat bewerken.
"Je begint met een bergje klei waarvan je niet weet wat het gaat worden. Als je met je vingers door die klei gaat, beginnen je gevoelens - de dingen die je bezighouden, de vormen die je wilt zien, de geluiden die je wilt horen, je relatie met de wereld - vorm te krijgen in beelden, muziek en teksten die gewoon door je heen vliegen. Dan begint er een proces van studie, van vakmanschap. Je hebt je basisverhaal , er is iets uit je onderbewuste komen opborrelen dat aanvoelt als een echt leven, dat lucht en bloed in zich heeft.
"Dan begint het vakmanschap, je moet het zien te verfijnen, goed schrijven, goede refreinen en coupletten maken. Maar je blijft luisteren. Als je het speelt, moet je het voor je zien, je luistert naar de akkoorden, naar wat het nummer en de hoofdpersoon je vertellen over zijn lot. En als je maar goed genoeg luistert en blijft zoeken... Je motivatie moet zijn dat je blijft zoeken naar hoe je het ook wilt noemen. De waarheid, ervaring, de weerspiegeling van de wereld, je blues wegzingen, zingen over je vriendin, je vrienden, je woonplaats, je land, je dag aan het strand, wat je maar voelt opborrelen. Die dingen komen naar voren en geven je gedachten en gevoelens hun preciezere vorm.
"Het is een magische truc. Niets bestaat nog als ik deze kamer inloop. Je maakt letterlijk iets van vanuit het niets en geeft het fysieke eigenschappen. Op het eind kan iemand het vasthouden. Boom! Zoom, daar is het... Abracadabra. Maar het begint met lucht, met emoties, het begint met iets dat geen fysieke eigenschappen heeft. Het is heel erg leuk om te doen. Ik heb er erg veel plezier in. Maar soms kan het ook heel frustrerend zijn. In het verleden was het vaak 95 procent mislukkingen tegenover 5 procent succes. Maar goed, als tussen die 5 procent dingen zitten als Born in the USA, Born to Run, dan vergeet je al de narigheid waar je doorheen moest. Het is net als naar de tandarts gaan: je vergeet de pijn als je blij bent met hoe je tanden eruit zien. [lacht] Zo gaat dat ook met een nummer. Je denkt: wauw, dat was geweldig."

Over de opnames voor Nebraska
"Die waren vrij simpel. Ik had geen zin meer om iedere cent die ik had uit te geven aan het opnemen van platen. In 1980, voordat de River-tour begon, was ik blut. Na tien jaar in de muziekindustrie had ik nog 20.000 dollar op mijn rekening staan. Dat was dus na miljoenen verkochte platen, de covers van de Time en Newsweek. Ik was in de problemen gekomen, had wat verkeerde afspraken gemaakt, ik moest advocaten inhuren en niemand in de band had ooit belasting betaald, omdat niemand in New Jersey ooit belasting betaalt, ten minste, niet in onze kringen. Ik kende nauwelijks mensen met een fatsoenlijke baan, laat staan mensen die belasting betaalden. En als ze al een baan hadden, schoven ze het geld onder de tafel. Zo leefde iedereen hier. Sommige mensen uit New Jersey die voor mij werkten, waren geschokt toen ze hoorden dat we belasting moesten betalen. Die zeiden: 'Hey, what?! Probeer je me bang te maken?' [Lacht hard] 'Je maakt me bang, je zet me af.' Het was heel bizar.
"Een jongeman bij de Belastingdienst moet naar de covers van Time en Newsweek hebben gekeken en gedacht: wie is die vent? En toen ze de artikelen inkeken: ik weet niet wie hij is maar ik weet wel dat hij geen belasting betaalt. Dus we werden achter de broek aangezeten vanwege een enorme bedrag van openstaande belastingsgelden, waarvan nog geen cent was betaald. Dus tussen 1974 en 1980 betaalde ik advocaten, de belastingman, en probeerde ik de band op de rails te houden - wat ik nauwelijks kon - en gaf geld uit in opnamestudio's. Het resultaat daarvan was dat ik 1980 geen geld meer had, [lacht weer] na veel gespeeld te hebben in de professionele muziekbusiness.
"Toen ik terugkwam van de River-tour had ik voor het eerst weer wat geld op de bank staan en dacht ik: deze keer ga ik het goed doen. Want de platenmaatschappij betaalde maar een deel van je opnametijd in de studio, als je vervolgens maar door bleef modderen in de studio om je vak te leren, moest je dat uit eigen zak betalen. En ik spendeerde een hoop tijd om te leren wat je moest doen in de studio. Het album The River kostte bijna twee jaar. Dus ik zei tegen mijn roadies: 'Geef me een taperecorder, maakt niet uit wat, waar ik wat zang mee op kan nemen, en nog wat aan kan toevoegen, zodat ik kan kijken of ik echt wat heb voordat ik de studio inga.' Ze kwamen terug met een kleine viersporen-Teac. We zetten hem in mijn slaapkamer, op vijf minuten rijden hiervandaan, en in drie dagen had ik alle nummers van Nebraska erop staan, met misschien twee of drie takes van ieder nummer. Van 'Highway Patrolman' is er zelfs maar 1 take.

 

De TEAC-viersporenrecorder waar Bruce Nebraska mee opnam. 

"Het werd opgenomen op een cassettebandje, een viersporencassette, en dan mixte je het op een ander cassettebandje. Ik mixte het door een Gibson-echoplex, dat is de echo op dat bandje - dat was een aparte gitaareffect-unit - op een andere beatbox. De uiteindelijke mix is dus de mix van een gettoblaster die je meeneemt naar het strand. Het probleem is dat die beatboxen geen goede thuisopnameapparatuur zijn. [Giechelt] Ze zijn bedoeld om weg te zakken in het strand en te blijven spelen. Dus je had verschillende opnamesnelheden. De cassettespelers uit die tijd speelden alles af op een snelheid die de artiest nooit bedoeld had. Dus ik nam de plaat mee de studio in. Probeerde de band mee te laten spelen, maar dat klonk niet goed. Probeerde het zelf weer alleen opnieuw op te nemen, maar dat klonk ook niet goed. Probeerde de tracks opnieuw te mixen, maar ook dat klonk niet goed. Hoe meer we deden, hoe slechter het werd. Ik realiseerde me ook dat de het geluid wat te langzaam klonk doordat de tape wat te snel had gedraaid. Al die vreemde ongelukjes die door die gammele apparatuur waren veroorzaakt, zorgden voor dat lo-fi spooky geluid. Ik wist naar welke stemming ik zocht, maar veel was ook toeval, ik probeerde gewoon te luisteren naar wat songs die ik had geschreven."




OVER BE TRUE
E-MAILSERVICE