Boek- en dvd-recensie

25 jaar Rock and Roll Hall of Fame-geschiedenis

Boek- en dvd-recensie 24-12-2009

De Rock and Roll Hall of Fame bestaat 25 jaar. Dit instituut eert sinds 1986 jaarlijks een aantal muzikanten en mensen die een belangrijke rol in de muziekgeschiedenis spelen of hebben gespeeld. Het Waldorf-Astoria hotel in New York is meestal het toneel van de galaceremonie waar de grote namen in de muziek bij elkaar komen om de geëerden hun respect te tonen. Ter gelegenheid van het 25-jarige jubileum waren er eind oktober twee grote concerten in Madison Square Garden en heeft Time Life een 9-delige dvd-serie uitgebracht met hoogtepunten van de optredens en speeches (een beknopte uitgave is in een 3-dvd-box verschenen). Ook is het boek 'The Rock and Roll Hall of Fame - The First 25 Years' verschenen.

Door Jos Westenberg

Het museum van de Rock Hall of Fame (foto: Muriël Kleisterlee).

De Rock and Roll Hall of Fame is in 1983 gesticht. In 2010 wordt de befaamde inwijdingsceremonie voor de 25e keer georganiseerd, wederom in het Waldorf-Astoria. Drie keer werd van deze traditie afgeweken: tweemaal werd het gala in Cleveland georganiseerd en een keer in Los Angeles. Legendes als Elvis Presley, Chuck Berry, James Brown, Ray Charles, Sam Cooke, Jerry Lee Lewis, Little Richard en Buddy Holly gingen in 1986 als eersten de Hall of Fame binnen. Sinds de eerste ceremonie zijn 164 muzikanten, bands en prominenten in de muziekgeschiedenis in de Hall of Fame opgenomen. Naast het organiseren van de jaarlijkse inwijding van een selecte nieuwe groep artiesten, heeft de stichting Rock and Roll Hall of Fame de zorg op zich genomen voor het behoud van het erfgoed van de rockmuziek en verzorgt het onderwijs over de rol die rockmuziek in de Amerikaanse cultuur heeft gespeeld en nog steeds speelt. In 1995 opende de Hall of Fame een museum in Cleveland waar de muziekgeschiedenis levend blijft in een permanente collectie en tijdelijke tentoonstellingen. De opening werd gevierd met een groot concert in Cleveland Stadium dat live op televisie werd uitgezonden.


Het plein voor het Rock and Roll Hall of Fame Museum (foto: Muriël Kleisterlee).

Springsteen en de Hall of Fame
Springsteen was niet bij de eerste inductieceremonie aanwezig, maar sinds 1987, toen Roy Orbison ingewijd werd, was hij vijf opeenvolgende jaren van de partij. Bruce mocht de inductiespeech voor Orbison houden. Dit deed hij nog wat bescheiden en onwennig, maar in de loop der jaren hield Bruce meer speeches, met steeds meer met verve. Bruce werd nog vier keer gevraagd om muzikanten in te wijden in de Hall of Fame: Bob Dylan in 1988, Creedence Clearwater Revival in 1993, Jackson Browne in 2004 en U2 in 2005. Bruce noemde Dylan de broer die hij zelf nooit gehad heeft en vertelde dat hij ook op het platenlabel van CBS wilde, omdat Dylans Highway 61 dat rode CBS-label had. Hij zei dat Elvis het lichaam bevrijd had en dichtte Dylan de bevrijding van de geest toe. Bruce bekende jaloers te zijn op Creedence Clearwater Revival vanwege de eenvoud waarmee elke barband hun muziek kan spelen, terwijl hij vaak bandjes met zijn eigen muziek ziet worstelen. Bruce zei jaloers te zijn op de mooie vrouwen die naar de optredens van Jackson Browne komen, terwijl hijzelf en de E Street Band - vanwege een duidelijke "homo-erotische onderstroom" in zijn muziek - voornamelijk mannen, niet zo knappe mannen zelfs, naar zijn concerten lokt. En in de speech die Bruce voor U2 hield, die bijna twee volle pagina's in het nieuwe boek van de Hall of Fame beslaat, vertelt Bruce als volleerd standup comedian dat hij Jon Landau had gevraagd ook een deal met Bill Gates te maken om een "Bruce The Boss Springsteen-iPod" op de markt te laten brengen, nadat hij U2, dat afzag van hun gage, in een iPod-reclame zag optreden.


Bruce en Bono van U2.

Jamsessies
Na de inductie- en ontvangstspeeches en het uitreiken van Hall of Fame-beeldjes, is het de gewoonte dat de aanwezige muzikanten samen doen wat ze het beste kunnen: muziek maken. In de beginjaren monden deze optredens uit in grote, spontane jamsessies waarbij soms wonderlijke combinaties ontstaan. Zoals Bruce in duet met Mick Jagger op 'Satisfaction', misschien wel het hoogtepunt van alle jamsessies, en een jaar daarvoor met Roy Orbison op 'Oh Pretty Woman'. Het podium stroomt vol met muzikanten en aanhang en soms zijn er tien gitaristen tegelijk bezig. Aanwezige toeschouwers (meestal muzikanten, platenbazen en managers, maar ook acteurs en sporters als John McEnroe zijn op de Hall of Fame-dvd's in beeld) wanen zich in Rock 'n' Roll Heaven. Sommige van deze spontane uitvoeringen draaien echter uit op complete mislukkingen. Bandleider Paul Shaffer (bekend van de Late Night with David Letterman-show) probeert dan vaak driftig orde in de chaos te scheppen maar zijn aanwijzingen op het volle podium werken meestal averechts. De uitvoering van 'Stand By Me' uit 1988 is zo'n voorbeeld. Terwijl Schaffer en zanger Ben E. King nog proberen het eenvoudige nummer mooi te brengen, nemen Jan en alleman solo's en wordt daarnaast ook op het podium door sommige muzikanten wat gekeuveld over koetjes en kalfjes. Kenmerkend is ook dat aan het einde van een nummer sommige muzikanten gewoon doorgaan of alvast starten met iets nieuws. Bruce probeert in de chaos van 'Stand By Me' op de achtergrond te blijven en de blikken die hij met George Harrison uitwisselt, spreken boekdelen.


Bruce en Mick Jagger.

Bij latere Hall of Fame-ceremonies zijn de optredens gestructureerder en meestal goed voorbereid. Ingewijde artiesten hebben van tevoren hun set gerepeteerd en het podium staat niet meer zo vol met genode en ongenode artiesten zoals bij de eerste ceremonies gebeurde. Helaas blijven de echt spontane jamsessies nu dan ook meestal uit, wat toch vooral de charme was van de eerste inducties.

Bruce tijdens zijn ontvangstspeech.

Springsteens inwijding
Springsteen is zelf in 1999 in de Hall of Fame opgenomen, als soloartiest. De E Street Band werd niet aan de zijde van Bruce in de Hall of Fame ingewijd. Volgens uitleg van de nominatiecommissie (waarin naast Hall of Fame-voorzitter en Rolling Stone-hoofdredacteur Jann Wenner ook onder anderen Dave Marsh en Jon Landau zitting hebben) voldeed de E Street Band niet aan de gestelde eisen, namelijk dat opgenomen muzikanten minimaal 25 jaar "in het vak" moeten zitten, een periode die aantoonbaar moet zijn via albumuitgaven. De E Street Band wordt pas voor het eerst als uitvoerende op plaat genoemd in de Live 1975/85-albumrelease in 1986 (de andere albums staan allemaal op naam van Bruce alleen). Maar als de genomineerde artiest echt zou willen, kan de commissie een uitzondering maken. Zo stond Keith Richards er op dat ook Ron Wood naast Brian Jones bij de inductie van de Rolling Stones in de Hall of Fame werd opgenomen. Bruce heeft geen voorwaarde gesteld bij het bekend worden van zijn nominatie, maar hij haalde wel de E Street Bandleden het podium op na afloop van zijn ontvangstspeech. Toch is het mislopen van de eer om in de Hall of Fame opgenomen te zijn, een moment in E Street-geschiedenis dat Clarence Clemons nog steeds betreurt, zoals blijkt uit zijn recent gepubliceerde boek Big Man: Real Life & Tall Tales.


Class of 1999: drie ingewijde artiesten, naast Bruce: Paul McCartney en Billy Joel.

Haat en nijd
De geschiedenis van de Hall of Fame kent ook zo zijn schandaaltjes. Zo weigerden de Sex Pistols in 2006 naar hun eigen inductieceremonie te komen, omdat ze geen respect konden opbrengen voor het instituut Rock and Roll Hall of Fame en de nominatiecommissie die uit niet-muzikanten bestaat. Jann Wenner las bij de ceremonie een brief van de Sex Pistols voor, waarin ze de Hall of Fame een "pisvlek" noemden. Ook zeiden ze te weigeren om als "apen" voor het instituut te komen opdraven bij een ceremonie waarvoor ze zelf nog 25.000 dollar per tafeltje moeten ophoesten. De geëerde Sun Records-platenbaas Sam Phillips uitte in 1986 bij de eerste ceremonie zijn ongenoegen toen net het besluit dat het Hall of Fame-museum in Cleveland gebouwd zou worden, bekend was gemaakt. Phillips vond Memphis als stad van de rock 'n' roll een geschiktere locatie en hij liet dat in zijn speech duidelijk merken.

Bruce met Mick Jagger. Op de achtergrond staat Bob Dylan.

Ruzies en vetes tussen voormalig bandleden leverden soms pijnlijk gênante vertoningen op voor het oog van de camera wanneer een gebrouilleerde band geëerd werd. Zo weigerde John Fogerty in 1993 met zijn bandleden van Creedence Clearwater Revival op te treden. In plaats daarvan speelde Fogerty met Bruce en Robbie Robertson. Paul McCartney kwam niet naar de inductie van The Beatles in 1988, want hij lag juridisch overhoop met Ringo Starr en Yoko Ono, de weduwe van John Lennon. In 1994 werd bij de Hall of Fame-inductie van John Lennon de strijdbijl tussen McCartney en Ono voor het oog van de camera weer begraven toen McCartney Ono na zijn inwijdingsspeech voor Lennon omhelsde.
In de lange lijst met inductiespeeches was de ontvangstspeech van Beach Boy Mike Love in 1988 memorabel. Love ontstak in woede en haalde verbaal uit naar zijn collega-Beach Boys waarmee hij ruzie had. Hij gaf daarbij Paul McCartney een sneer toen hij zei dat hij vond dat McCartney het niet kon maken om weg te blijven vanwege een ruzie met Starr en Ono, terwijl de Beach Boys ondanks hun onderlinge ruzies nog steeds aan 180 optredens per jaar kwamen. Ten slotte daagde hij Bruce, Billy Joel en Mick Jagger uit om in de jamsessie een Beach Boys-nummer te komen spelen. Dat Beach Boy-nummer kwam er niet, maar in de jamsessie wel het duet tussen Bruce en Jagger op 'Satisfaction', een hoogtepunt in de Hall of Fame inductie-geschiedenis waaruit ook wel een homo-erotische onderstroom leek te lekken.
Elton John was al voor de ceremonie van 1988 boos de zaal uitgelopen toen bleek dat zijn songwriter-partner Taupin niet bij hem aan een tafeltje kon zitten, omdat George Harrison een stoel had weggegeven aan Bob Dylan. En in 2007 was er bij de nominaties al veel ophef toen Grandmaster Flash and the Furious Five verkozen werden boven The Dave Clark Five (de commissie vond dat er een rap-act verkozen moest worden, waardoor de Dave Clark Five, die meer stemmen hadden gekregen en in feite een grotere invloed hadden gehad op de rock 'n' roll-muziek, een jaartje moesten wachten).
De speech van Keith Richards voor de inwijding van ZZ Top dient ook speciale vermelding. Richards, duidelijk onder invloed van drank, kwam in 2004 met een zeer onsamenhangend verhaal. Hij haalde een kassabonnetje uit zijn jaszak en zei dat hij verder geen notities voor zijn speech had gemaakt. Daarna maakte hij een grap over de lange baarden van twee van de ZZ Topleden. Zijn optreden maakt nog eens duidelijk bij wie Johnny Depp inspiratie heeft gezocht voor het filmkarakter Captain Jack Sparrow uit The Pirates of the Carribean.

Dvd-collectie en boek
De dieptepunten (hoewel deze toch ook mooie televisie maakten) zijn niet of nauwelijks terug te vinden op de dvd-collectie die onlangs is uitgebracht. De serie beslaat een bloemlezing uit de 24 inductieceremonies die voor televisie zijn opgenomen. Er is weinig lijn te ontdekken in de volgorde zoals de beelden op de negen schijven de revue passeren. De opnames zijn niet chronologisch gerangschikt, op bijna elke dvd is Bruce terug te vinden, soms met beelden van halverwege de jaren '80, afgewisseld met beelden van na 2000. Onder de optredens waar Bruce niet bij betrokken is, zijn ook genoeg muzikale hoogtepunten te vinden: zo is er het rockende optreden van Elvis Costello and the Attractions met 'What's So Funny 'Bout Peace, Love and Understanding'. Prince die een vlammende gitaarsolo neerlegt voor de ogen van Dhani, de zoon van George Harrison in de tribute aan de overleden Beatle, op 'While My Guitar Gently Weeps', uitgevoerd met Tom Petty, Jeff Lynne en Steve Winwood. 'We Won't Get Fooled Again' van The Who. Lady's man Mick Jagger die met Tina Turner 'Honky Tonk Women' in een jamsessie onder handen neemt. 'I Can't Turn You Loose' van Little Richard en Mick Jagger. 'The Weight' van Eric Clapton met The Band. Het gitaargeweld van Jeff Beck, Kirk Hammett en Joe Perry onder goedkeurend oog van Jimmy Page en Ron Wood op 'Train Kept A-Rollin''. Het ingetogen 'Fire and Rain' van James Taylor. En de Janis Joplin-tribute van Melissa Etheridge op 'Piece of My Heart'.
De speeches wisselen de optredens af. Meestal worden voor de beelden van een bepaald optreden een stukje uit de inductie- en/of ontvangstspeech van de betreffende artiest getoond. Een van de speeches komt van Little Steven, die in 1997 The Young Rascals inhaalt in de Hall of Fame. Dit optreden leverde hem uiteindelijk de baan voor Silvio Dante in de televisie-maffiaserie The Sopranos op, omdat regisseur David Chase Steve in de rol van Dante herkende.

 


Bruce op Hall of Fame-dvd's

Springsteen is zoals gezegd alom aanwezig op de Hall of Fame dvd-collectie en gedoseerd over de negen schijven komt hij in beeld met 'Oh Pretty Woman' met Roy Orbison; 'I Saw Her Standing There' en 'Satisfaction' met Mick Jagger, Billy Joel en de All-Star Jam Band; 'Who'll Stop the Rain', 'Green River' en 'Born on the Bayou' met John Fogerty en Robbie Robertson; 'Come Together' met Axl Rose (voor het eerst beschikbaar in goed beeldkwaliteit; de circulerende opname van dit nummer kwam van een slechte VHS-kopie); 'Let It Be' met Paul McCartney en Billy Joel; en 'I Still Haven't Found What I Am Looking For' met U2.

Springsteens eigen inductieceremonie is in z'n geheel beschikbaar, de inductiespeech van Bono en Springsteens eigen ontvangstspeech staan er integraal op, evenals het gehele optreden (hoewel in stukken gehakt) met 'The Promised Land', 'Tenth Avenue Freeze-out', 'Backstreets' en 'In The Midnight Hour'. De speeches die Bruce voor Jackson Browne en U2 houdt zijn ook compleet op de dvd's te vinden. Verder zijn er beelden van de speech voor Creedence Clearwater Revival en repetitiebeelden met John Fogerty en een stukje soundcheck met Jerry Lee Lewis in 1995 voor het concert ter gelegenheid van de opening van het museum. Van dit concert is verder alleen beeld van Springsteen op 'Johnny B. Goode' met Chuck Berry terug te vinden. Waarschijnlijk is er een probleem met de rechten van dit concert, de laatste dvd bevat slechts een uurtje materiaal van de televisie-uitzending, waarbij veel interessante optredens ontbreken (wel is nog de Godfather of Soul James Browne te zien, die na zijn optreden Clarence Clemons hartelijk begroet).

Iemand die op de collectie vooral opvalt door afwezigheid, is Bob Dylan. Springsteens speech is niet te zien en ook de optredens van Dylan zijn niet in de verzameling opgenomen. Wel staat Springsteens speech in het boek The Rock and Roll Hall of Fame - The First 25 Years, samen met de andere speeches van Springsteen (alleen de speech voor Roy Orbison is ingekort, de rest is compleet). Het boek bevat een overzicht van alle ingewijde artiesten, gerangschikt per jaar, plus een groot deel van alle inductie- en ontvangstspeeches, gelardeerd met vele foto's.

Het boek en de dvd-serie zijn te bestellen via verschillende online aanbieders en via de website van de Rock and Roll Hall of Fame.

 



OVER BE TRUE
E-MAILSERVICE