Voorpublicatie Bruce en ik

Hoe ik mijn Bruce terugkreeg 06-09-2015

Op 23 september verschijnt het boek Bruce en ik - 29 odes aan Springsteen, samengesteld door Leon Verdonschot. 29 fans, voornamelijk journalisten, beschrijven wat Bruce voor hen persoonlijk betekent. Ook Muriël Kleisterlee en Jos Westenberg van Be True leverden een bijdrage. Hetzelfde geldt voor Robert Neugarten, die weleens voor Be True schrijft en de Springsteen-biografie van Peter Ames Carlin vertaalde van het Engels naar het Nederlands. Een voorpublicatie van zijn artikel.

In het najaar van 1975 leerde ik de muziek van Bruce Springsteen kennen. Hij kwam op het juiste moment; ik was binnen de kortste keren fan. Ik volg Springsteen en zijn muziek dus al veertig jaar. Verbijsterend lang eigenlijk. En wat zijn we in die tijd veranderd, Bruce en ik. Fan zijn is blijkbaar een dynamische activiteit; de manier waarop ik Springsteen in die vier decennia heb beleefd, was aan flinke veranderingen onderhevig.

Ik had altijd vooral naar de Top 40 geluisterd en singletjes gekocht, maar vanaf mijn veertiende waagde ik voorzichtig de stap naar wat we met gepast ontzag elpeemuziek noemden. Bij mijn eerste langspeelplaat had ik van goede smaak blijk gegeven: Band on the Run van Paul McCartney and Wings, voorwaar een klassieker. Mijn tweede aanschaf, een plaat van het damessoulgroepje The Three Degrees, toonde aan dat die smaak nog wat wisselvallig was. Met kleine stapjes ontdekte ik vervolgens aan de hand van onder meer Elton John, 10cc en The Eagles een weinig avontuurlijk segment van de ‘betere’ popmuziek.
Nieuwe ontdekkingen haalde ik uit Oor en van de radio, waar de kro op woensdagmiddag een paar uur vulde met tracks van nieuwe elpees. Het waren dus Theo Stokkink en Vincent van Engelen die me kennis lieten maken met de muziek van Bruce Springsteen. Ik weet niet meer of ‘Born to Run’ of ‘Thunder Road’ het eerste nummer was dat ik hoorde. Wel weet ik dat ik al snel begreep dat het wel eens iets kon worden tussen mij en deze Bruce. In eerste instantie was het de grootsheid van zijn muziek en teksten die me aansprak.

The Eagles waren tot op dat moment mijn favoriete band geweest en ik meende van alles te herkennen in hun teksten. Misschien zelfs iets te veel, want op een koude decemberavond wandelde mijn moeder mijn kamer binnen om tot haar verbijstering te constateren dat ik, gekleed in slechts een onderbroek, op het balkon met ‘Tequila Sunrise’ stond mee te zingen omdat ik in de waan verkeerde dat het nummer dat van me verlangde. Toch moet ik op enig niveau hebben begrepen dat de teksten van The Eagles, al leken die nog zo sterk betrekking te hebben op mijn onbeantwoorde gevoelens voor een blonde klasgenote, in wezen nogal beperkte weerslagen waren van het leven van een stel doorgesnoven nepcowboys.
Dan kwam Springsteen, al was het maar op grond van twee of drie nummers, een stuk authentieker en ambitieuzer op me over. De nummers die de KRO liet horen leken woorden als ‘groots’ en ‘meeslepend’ van allerlei opwindende dimensies te voorzien. Springsteen klonk alsof hij ieder moment van zijn leven bewust beleefde en alsof hij te groot was voor zijn omgeving. En wat kon hij daar beeldend over schrijven! En over het oneindig fascinerende Amerika nog wel! Je kon geen stukje over hem vinden of het woord ‘cinematografisch’ kwam er wel in voor. Nou ja, dat wekt misschien de verkeerde indruk. Ik kende niet veel stukjes over Springsteen. De wekelijkse Engelse muziekbladen kocht ik nog niet, en uit Oor herinner ik me een recensie waarin in één klap de eerste drie albums werden besproken en wat berichten van de Amerikaanse correspondent die ons moesten voorbereiden op de komst van de nieuwe messias van de rock-’n-roll.

RAI Amsterdam 1975

Die komst voltrok zich op 23 november 1975, toen Springsteen als onderdeel van een Europese minitournee van slechts vier concerten in de RAI in Amsterdam speelde. Hoewel de zaal zich op amper twintig minuten fietsen van mijn ouderlijk huis bevond, was ik er niet bij. Het was een zondagavond. Ik moest de volgende dag naar school en van concertbezoek kon geen sprake zijn. Tien dagen later las ik opnieuw in Oor een recensie van het optreden, die benadrukte wat een surrealistische held Bruce eigenlijk was (hij maakte een verlegen indruk en droeg morsige kleren), maar tot de conclusie kwam dat ‘de mythe zich had bewezen’ en de nieuwe held ‘een begenadigd meester van tijd en ruimte’ noemde. Die beschrijving begreep ik niet helemaal, maar hij bezorgde me geen troostrijk gevoel over mijn afwezigheid bij het concert. De gedachte dat ik iets belangrijks en misschien zelfs eenmaligs had gemist werd alleen nog maar versterkt toen ik kort daarna de twee eerste albums kocht en Springsteen in ijltempo uitgroeide tot mijn favoriet, mijn held, en de coole broer die ik nooit had gehad met het leren jasje dat ik nooit had gehad.

Halverwege 1977 raakte ik in de ban van punk en new wave, muziekstromingen die compromisloos stelden dat alles anders moest. Als ware hardliner wilde ik me aan alle beeldenstormende voorschriften houden, inclusief de regel dat muziek uit de prehistorie – vóór de Revolutie van 1976 dus – diende te worden genegeerd en bespot. Dat kostte me in het geval van dinosauriërs als The Rolling Stones, Led Zeppelin en Jimi Hendrix geen enkele moeite. Bruce was een heel ander verhaal. Helaas stond ook hij bij de nieuwe garde in een kwalijke reuk en zag ik me tot mijn schande genoodzaakt mijn voorliefde zo nu en dan onder stoelen en banken te steken.
Wat dat betreft kwam het goed uit dat Springsteen na Born to Run en de bijbehorende tournee spoorloos leek te zijn verdwenen. Het had alleszins voor de hand gelegen dat hij snel met nieuw materiaal zou komen. Het hete ijzer moest gesmeed worden, zou je zeggen. En artiesten brachten in de jaren zeventig in veel hoger tempo nieuw werk op de markt dan tegenwoordig. Maar ’76 kwam en ging, en ’77 kwam en ging, en van of over Bruce geen woord, afgezien van vage geruchten over een juridisch geschil met zijn manager Mike Appel. Witte rook werd pas in het voorjaar van 1978 waargenomen en op 2 juni van dat jaar verscheen eindelijk Darkness on the Edge of Town.
Het was niet vanaf de eerste dag de plaat die mijn achttienjarige ik wilde horen. Bruce klonk boos, bitter en door het leven getekend; van de charmante schelm die op de eerste drie platen nog zo onbevangen tegenover het leven stond en de wereld rauw lustte was amper een spoor meer te bekennen. Maar alles went – zeker een nog niet op waarde geschat meesterwerk – en na vier weken non-stop luisteren was ik al een stuk blijer. Toen was het tijd om op reis te gaan. Mijn ouders hadden mij en mijn zus uitgenodigd voor een laatste gezamenlijke vakantie, naar de VS en Canada nog wel. Na een bezoek aan familie in de buurt van Montreal zouden we langs de oostkust afzakken naar Florida om daar de laatste week in een huisje door te brengen.
Alles verliep volgens plan en zelfs iets beter dan volgens plan. Toen we door Miami reden, werd op de radio aangekondigd dat Springsteen een dag later in die stad zou optreden en dat er nog kaarten verkrijgbaar waren. Een jongen van achttien verheugt zich bij zo’n reis natuurlijk wat meer op New York of Washington dan op een week in een strandhuisje. Maar toen ik nog geen uur in Miami was en een kaartje voor Bruce op zak had, leek die laatste week opeens ook niet meer zo beroerd. De kosten waren geenszins onoverkomelijk. Het ticket kostte 9 dollar, plus 75 cent ‘service charge’.


Jai-Alai Fronton in Miami, Florida.

Het optreden zou plaatsvinden in een zaal die Jai-Alai Fronton heette. Navraag leerde dat jai-alai een vanuit Cuba overgewaaide sport is die beoefend wordt in zalen die frontons heten. Veel later is me duidelijk geworden dat de sport koddig genoeg overeenkomsten vertoont met het Friese kaatsen. In elk geval is er voor jai-alai nogal wat ruimte nodig, en dat kwam op de avond van 28 juli 1978 goed van pas. Springsteen was op zijn zachtst gezegd druistig en gebruikte het de hele breedte van dat enorme podium. Ik zat er vanaf de elfde rij verbijsterd naar te kijken en zag Springsteen naast alle gekoesterde hoogtepunten uit eigen werk ook achteloos een aantal overrompelende covers spelen. Eddie Cochrans ‘Summertime Blues’ werd officieel het eerste nummer dat ik hem live zag spelen. De show duurde bijna drie uur en was met enige afstand het beste wat ik ooit had gezien. Die conclusie heb ik na 37 jaar en meer dan duizend popconcerten (waarvan 24 van Springsteen) nog niet hoeven bijstellen.

Bruce aan de wandel in Amsterdam in 1981.
Bron: Brucebase.

Mijn Brucemanie nam toe. Twee jaar lang kon ik mijn Brucevrienden de ogen uitsteken met verhalen over Miami. Eind april 1981 kregen we allemaal de kans hem aan het werk te zien als de band twee avonden in Ahoy staat. Op de 30ste liepen we verdwaasd door de stad. De chaos van de Amsterdamse Koninginnedag maakte geen enkele indruk na twee avonden in het gezelschap van Bruce.

Mijn ouders gaven me als cadeau voor mijn 21ste verjaardag kaarten cadeau voor twee optredens in Londen. Ik stond inmiddels te boek als fanaat, een reputatie die ik versterkte door live-opnamen te verzamelen. Bootlegs op vinyl waren prijzig, en het ruilen van tapejes had als aardige bonus dat je contact legde en soms vriendschap sloot met Brucefans in allerlei landen en uithoeken. Mijn dubbelloops cassettedeckje maakte overuren en de medewerksters van het plaatselijke postkantoor kenden me bij naam. Ik was een wanpresterend student rechten met meer dan genoeg tijd voor dit soort illegale activiteiten, waarmee ik de Oor haalde. In de rubriek IJzervreters (over ‘Mensen die op een bijzondere manier met muziek bezig zijn’) vertelde ik twee bladzijden lang over mijn hobby. Op de foto zag ik er nog net een stukje nerdier uit dan ik in werkelijkheid was.

Tot mijn grote trots stond het interview in een nummer met Springsteen op de cover. Het is mei 1985, aan de vooravond van twee optredens in de Kuip ter ondersteuning van Born in the U.S.A. Die plaat is in kringen van Brucefans van het eerste uur niet met veel enthousiasme ontvangen. Te commercieel en te radiogericht, vinden velen, waaronder ook ik. Die twijfels betreffen echter niet zijn podiumprestaties, want de Kuipconcerten zijn weer van een ongekend niveau. Het wordt cliché om te zeggen dat Springsteen zelfs het grootste stadion tot een intieme club kan omtoveren. Een spotprent in een van de Engelse bladen melkt deze gedachte uit door twee fans op te voeren die mijlenver van het podium staan maar niettemin ruzie krijgen: ‘It’s as if he’s playing just for me!’ ‘No man, he’s playing for me.’

Drie jaar later is hij er weer, een week na de gewonnen EK-finale van juni 1988. Bruce is zo attent om ons collectief te feliciteren. Zijn show heeft ingrijpende aanpassingen ondergaan, maar de ontvangst is opnieuw unaniem idolaat. Achteraf is het simpel om te zien dat die shows het einde van een belangrijke carrièrefase markeerden. Bruce had duidelijk behoefte aan iets anders. Dat werd krap anderhalf jaar later duidelijk toen hij de E Street Band op non-actief zette. Het nieuws sloeg in als een bom; de band was altijd gepresenteerd als een belangrijk aspect van wat Bruce van zichzelf aan de wereld liet zien, als een alternatieve familie welhaast. Het was pijnlijk en akelig om te zien dat zo’n relatie blijkbaar zomaar kon eindigen. En hoewel het zeer wel mogelijk is dat het besluit allerlei therapeutische voordelen had voor Bruce zelf, werd hij er in muzikaal opzicht niet beter van. De jaren negentig leverden slechts twee onevenwichtige platen op die hij met sessiemuzikanten volspeelde, en de soloplaat The Ghost of Tom Joad, waarop de verhalende teksten zo sterk de overhand hebben dat de plaat bij mij in huis altijd als Opa Vertelt te boek heeft gestaan.


Arnhem 1993 en Rotterdam 2003 (foto: Jos Westenberg).

Het was al met al een periode waarin het relatief eenvoudig was om afstand te nemen, een proces dat werd vergemakkelijkt door veranderingen in mijn eigen leven. Ik trouwde en kreeg kinderen. Buitenlandse concerten bezoeken was niet meer zo simpel. En waarom zou een mens tapes willen verzamelen van optredens met de niet-E Street Band? Er trad een overduidelijke verkoeling op in Mijn Relatie met Bruce Springsteen. Ook het concert in het Gelredome tijdens de Reunion Tour – met de weer in genade aangenomen E Street Band dus – vermocht de oude warme betrekkingen niet te herstellen. Hij speelde daar twee avonden; ik ging maar één keer. Veelzeggend.

 

Amsterdam Arena 2008 (foto: Jos Westenberg).

Er was echter één fangewoonte waaraan ik had vastgehouden: nieuwe Bruceplaten wilde ik altijd op de dag van release kopen en horen. Dat drukte me op 31 juli 2002 nogal heftig met mijn neus op de feiten. The Rising kwam die dag uit. Het was een bloedhete dag en mijn eega vertoefde buitenshuis. Het was in onze woning niet te harden, dus ik laadde de kinderen (zes en twee jaar oud) in respectievelijk het voor- en het achterzitje van mijn fiets en reed naar het huis van mijn ouders in Amstelveen. Een tuin en een pierenbadje moesten mijn redding zijn. Met een beetje bof wilden mijn ouders misschien zelfs even op de kinderen passen om mij de gelegenheid te geven in het winkelcentrum de nieuwe Bruce te kopen. Maar het liep anders: de kinderen vonden het te warm voor een dutje. Mijn ouders daarentegen voelden wel iets voor een siësta.
Uiteindelijk zag ik me gedwongen om de kinderen nog maar eens op de fiets te laden om bij Van Leest mijn exemplaar van The Rising te halen. Het was hels warm in het winkelcentrum. De kinderen hadden het niet naar hun zin. Een inderhaast aangeschaft omkoopijsje bood weinig soelaas, maar uiteindelijk wist ik toch mijn cd te kopen. Daar had ik ook best nog een dagje mee kunnen wachten, want toen ik die avond om half elf met tekstvel, bier en chips op de bank had plaatsgenomen om te horen hoe Bruce 9/11 had verwerkt, viel ik bij het vijfde nummer – het hemeltergende ‘Countin’ on a Miracle’ – in slaap. Al met al was de aanschaf van de nieuwe Bruce geen triomf geworden en werd ik pijnlijk geconfronteerd met de implicaties van rock-’n-roll op middelbare leeftijd.

Komt het nog goed? hoor ik de lezer nu denken. Komt het nog goed, of lezen we het relaas van een oude zeurpiet die slechts wil beweren dat alles – en in elk geval Bruce – vroeger beter was? Wees gerust, lezer: het komt goed. Al gaat het eerst nog even bergafwaarts. Ik kwam bij de platen van het nieuwe millennium nooit verder dan ‘best aardig’ en werd een paar keer zelfs teleurgesteld door concerten. Bij het optreden met The Seeger Sessions Band in de Heineken Music Hall (2006) verveelde ik me te pletter. En toen Bruce twee jaar later in de Arena ‘Summertime Blues’ (het eerste nummer van mijn eerste Bruce-concert in Miami) inzette, leek me dat een symbolisch eindpunt. De volgende keer zou ik niet meer gaan. Het was uit tussen Bruce en mij. Het dieptepunt kwam toen hij in 2009 op Pinkpop speelde. Ik zag stukken op tv en vond de band log en oud klinken. Met mijn dochter Julia bespotte ik het rare ‘We’re Gonna Build a House’-verhaal waarmee Bruce de meute overigens moeiteloos op zijn hand kreeg.


Amsterdam Arena 2008 (Foto's: Jos Westenberg)

Maar Julia was inmiddels een groot liefhebber van Springsteens muziek geworden en had hem nog nooit zien spelen. En dus kocht ik met enige terughoudendheid kaarten voor haar en mij voor het concert in het Nijmeegse Goffertpark in juni 2013. In de aanloop naar die avond kwam ik langzaam maar zeker in de vereiste stemming, deels ook omdat ik werkte aan de vertaling van Peter Ames Carlins Bruce-biografie. Maar toen we op de avond van de 22ste het Goffertpark betraden, zakte de moed me in de schoenen. Een groot, sfeerloos veld was het, en de weersvoorspellingen beloofden weinig goeds. Er waren saaie voorprogramma’s en we zaten door omstandigheden op de tribune, die heel attent zo’n tachtig meter van het podium verwijderd was. Ik had er eerlijk gezegd weinig fiducie in.

'The Ghost of Tom Joad', Goffert Park, Nijmegen 2013.
(Foto: Jos Westenberg)

Maar Bruce kwam in zijn eentje op en speelde een intro op de mondharmonica. Al voordat ik wist welk nummer het was, sprongen de tranen in mijn ogen. Het was ‘The Ghost of Tom Joad’ en het was groots. De band kwam op en het eerste uur zat vol met verrassingen als ‘So Young and in Love’, ‘Growin’ Up’ en ‘Sherry Darling’ en het was groots. Bruce was in topvorm en die kolossale band stond te sprankelen. Julia keek me licht bestraffend aan; hoe had ik zo dom kunnen zijn om te denken dat het niet groots zou worden? Bruce kondigde aan dat ze Darkness on the Edge van begin tot einde gingen spelen en het was groots. Later kwam de regen bij bakken uit de hemel en besloot Bruce een tandje bij te zetten. En het was groots.

Waarom had ik zo’n fantastische en emotioneel overweldigende avond? Was het omdat ik de show gedeeltelijk door Julia’s ogen bekeek en weer eens inzag hoe verpletterend goed Bruce en zijn veelkoppige band waren? Had de band een (door weinig andere fans opgemerkte…) crisis verwerkt en klonken ze pas nu weer als vanouds? Had ik zelf het zuurpruimstadium achter me gelaten en kon ik weer gewoon zonder voortdurend zeikerige kritische noten te plaatsen genieten van de muziek waarvan ik al bijna veertig jaar hield? Ik denk dat de aanwezigheid van mijn dochter zeker aan mijn ervaring bijdroeg, al verklaart dat nog altijd niet waarom ik sinds die avond weer onbevangen van Bruce houd, zijn muziek veel vaker dan pakweg tien jaar geleden opzet en als een kind zo blij kan worden als hij concerten in exotische oorden opent met ‘Nelson Mandela’ of ‘Stayin’ Alive’. Diepgrondig analyseren wat er nu precies aan de hand was, lijkt in dit stadium overbodig. Ik heb mijn Bruce terug.

Robert Neugarten

'Bruce en ik' ligt vanaf 23 september in de boekhandel. De boekpresentatie is op maandag 28 september in Paradiso in Amsterdam. Kaarten zijn verkrijgbaar via Ticketmaster.


Goffert Park, Nijmegen 2013 (foto: Jos Westenberg).




OVER BE TRUE
E-MAILNIEUWSBRIEF